De eerste de beste?

door Hans Huiberts

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de Breeders special 2021 van het blad "Draf&Rensport"


In de Breeders Special van 2007 schreef René Knipscheer een artikel met bovenstaande titel gebaseerd op zijn onderzoek
met als vraagstelling: is het eerste veulen van een fokmerrie de beste? Dit is namelijk een wijdverbreid vooroordeel.
De hoofdredacteur van het Franse blad Trot Info heeft zo’n zelfde onderzoek gedaan in Frankrijk,
maar dan wel met hele grote aantallen dravers. We maken een korte samenvatting.

topper

Boven: Face Time Bourbon is het 1e product van zijn moeder Vita Bourbon.

Onderzoek Knipscheer
René deed zijn onderzoek met de winnaars van enkele klassieke jaargangskoersen in Nederland en Zweden in de voorgaande 25 jaren, plus de Prix d’Amérique en de Elitloppet. Voor NL ging het om 71 paarden en totaal om 169. De 2e veulens van hun moeder waren procentueel het sterkst vertegenwoordigd in deze groepen, gevolgd door de 1e veulens en dan de rest. Ook de productie van de Elitemerries heeft hij onderzocht. De gemiddelde winsommen van de producten van Elitemerries per geboortevolgnummer werden uitgerekend en de verschillen waren klein. Met succesvolle fokmerries wordt langer doorgefokt en zij brengen ook op latere leeftijd vaak nog wel goede producten. Na de 8e nakomeling wordt het wel wat minder en pas bij de 12e loopt de gemiddelde winsom sterk terug. René riep op om verder onderzoek te doen met een groter aantal paarden. Dat is nu gebeurd in Frankrijk.

Onderzoek Trot Info
In het Franse blad Trot Infos (nr. 250, juli 2018) staat een verslag van een uitgebreid onderzoek door hoofdredacteur François Hallopé met de titel “De l’influence du rang de naissance” (invloed van het volgnummer van de geboorte). In Frankrijk gaat het om grote jaargangen met elk ruim 10.000 veulens en een uitgebreid koersprogramma met hoge doteringen. De invloed van uitschieters, toevalstreffers en paarden die in het buitenland veel prijzengeld winnen is daardoor nihil.

Grote getallen
Er zijn natuurlijk allerlei zaken die de kwaliteit van een product bepalen: de hengstenkeuze, de opfok van het product, het entrainement waar het terecht komt, de pikeur die er achter komt te zitten, de geluksfactor, etc. Bij de moeders gaat het, naast haar eigen erfelijke eigenschappen ook om haar leeftijd, de zwaarte en duur van haar carrière, haar gezondheid, de leeftijd waarop ze de fokkerij in ging en haar verblijfplaats. De individuele verschillen en kwaliteiten kunnen groot zijn. Hallopé heeft 21 generaties (van 1995 t/m 2015) met totaal ruim 239.000 dravers onderzocht. En dan geldt de wet van de grote getallen, waarbij toevalligheden weinig invloed meer hebben. Een betrouwbaar onderzoek dus.

Verduidelijking tabel 1
In de tabel 1 staan de percentages van verschillende kwaliteiten uitgezet tegen het volgnummer van de geboorte. In de 2ekolom staat het aantal paarden dat het 1e product van de moeder is, daaronder het 2e product, etc. Je ziet dat dit aantal terugloopt. Dat komt mede doordat merries in Frankrijk aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen om als fokmerrie te mogen worden gebruikt. De doorstroming van fokmerries is daar groot. Onderaan staat het totaal aantal paarden van dit onderzoek. In Kolom 3 staat het percentage hiervan dat is gekwalificeerd, daarnaast het percentage dat heeft gekoerst en een prijs heeft gewonnen, daarnaast het percentage met een winsom hoger dan € 50.000 en daarnaast hoger dan € 100.000. In de laatste kolom staat procentsgewijs het aantal paarden uit de top-10 van de 21 jaargangen bij hun geboortevolgnummer.

Timoko


Kanttekeningen
- In Frankrijk hecht men veel waarde aan de kwalificaties. Er wordt gepoogd om de paarden al jong te kwalificeren. Dan heeft men al een indruk van de kwaliteiten van het koerspaard in spé en van zijn ouders. Het gebeurt vaak dat jaarlingen al worden voorgeselecteerd bij opfokkers of bij een trainer worden beleerd en al uitgeprobeerd. Vaak huurt de trainer dan het paard als hij het goed genoeg vindt. Als een jong paard niet voldoende kwaliteit vertoont gaat men er niet mee door. Dit is voor mij de enige verklaring voor het feit dat slechts 1 op de 3 Franse dravers in de baan komt. Een bijzonder laag  percentage. Dan doen wij het in Nederland veel beter. Bij ons is komt de laatste 10 jaar 55 à 64 % aan de start. Zie tabel 1 in het artikel over de Europese getallen in dit blad.
- Het aantal paarden dat in de baan komt en een winsom behaalt is gemiddeld 32,9 % (1 op de 3). Dit gaat over de generaties 1995 t/m 2015 en in de loop der jaren is dit getal wel wat verbeterd: van ca. 27,9 % in 1995 tot 36,0 % in 2013. De kwaliteit van de Franse draver gaat langzaam vooruit.
- Hallopé neemt halverwege 2018 ook de jaargangen van 2015 (amper 3 jaar) en 2014 (4 jaar) mee terwijl die nog volop winsom aan het vergaren zijn. Dat vertekent het beeld iets, vooral in de rechter kolommen, maar niet veel omdat er nog 19 andere jaargangen meetellen en het geboortenummer hierbij geen aparte rol speelt.
- Elke fokmerrie krijgt een eerste veulen, anders zou ze geen fokmerrie zijn. Daarna wordt het totaal aantal veulens al minder, dat zien we in de 2e kolom. Het aantal 1e veulens bedraagt ruim 43.000 en er zijn 19.000 6e veulens, minder dan de helft dus. In absolute zin zitten er logischerwijs veel meer 1e of 2e veulens bij de toppers en daar komt het misverstand uit voort dat de eerste de beste zijn. De aantallen zijn groter. Maar bij kansberekening moet je kijken naar procenten en dan blijkt het weinig uit te maken wat het geboortevolgnummer is. Dit gegeven is in het onderzoek van René Knipscheer niet meegenomen.
- met bewezen merries wordt langer doorgefokt en dit is misschien wel de reden dat de latere veulens in Frankrijk gemiddeld net zo goed zijn als de eerste. Dit geldt natuurlijk ook voor andere landen.
- als je een jaarling koopt, dat het 1e of 2e  veulen van de moeder is, weet je nog niet of die merrie goed fokt. Misschien is het zelfs verstandiger om bijv. het 6e  veulen te kopen van een merrie die zich al bewezen heeft.
- In de meest rechtse kolom (top-10) tellen slechts 210 paarden mee, waardoor de uitkomsten wat wisselvalliger zijn.

Timoko

Boven: Timoko is het 5e product van zijn moeder Kiss me Coulonces.

De Franse toppers
In het artikel van Hallopé staan per jaargang de paarden van de top-10 genoemd met daarachter zijn/haar geboortevolgnummer. We noemen de bekendste: Insert Gédé (1e veulen), Jeanbat du Vivier (1e), Jardy (2e), Jag de Bellouet (4e), Késaco Phédo (1e), Kool du Caux (4e), Love You (1e), L’Amiral Mazun (2e), Meaulnes du Corta (3e), Mara Bourbon (3e), Miss Castelle (11e), Nouba du Saptel (3e), Norginio (3e), Orlando Vici (1e), Oyonnax (3e), Olga du Biwetz (5e), Offshore Dream (5e), Oiseau de Feux (8e), Pearl Queen (3e), Private Love (10e), Quaker Jet (3e), Qualita Bourbon (6e), RapideLebel (1e), Roxane Grif (2e), Ready Cash (3e), Royal Dream (3e), Singalo (2e), Texas Charm (1e), The Best Madrik (3e), Timoko (5e), Up and Quick (6e), Un Mec d’Héripré (6e), Voltigeur de Myrt (3e), Aubrion du Gers (5e), Bold Eagle (2e), Billie de Montfort (3e), Bilibili (3e), Belina Josselyn (6e), Bird Parker (10e), Carat Williams (4e), Dreammoko (1e), Dijon (3e), Délia du Pommereux (4e), Davidson du Pont (5e), Féliciano (3e) en Face Time Bourbon (1e).

Conclusies
1. Er zijn geen grote verschillen tussen de eerste en latere veulens waar te nemen.
2. Net als bij het Nederlandse onderzoek is de kwaliteit van het 2e veulen gemiddeld ietsje beter dan dat van het eerste, maar het scheelt heel weinig.
3. Pas bij de 12e en latere veulens lopen de percentages echt terug.
4. In de top-10 kolom scoren de 10e nakomelingen op één na het hoogste, maar dit is een minder betrouwbaar onderdeel door de lage aantallen
5. Dit Franse onderzoek is ook representatief voor andere landen
6. Het vooroordeel, dat de eerste veulens van een merrie de beste zijn,berust niet op waarheid

 

Timoko

Boven: Bird Parker is het 10e product van zijn moeder Belisha.


René Knipscheer schreef in de Breeders Special 2007 een artikel over hetzelfde onderwerp:
Click hier


© Copyright Fokkersvereniging 2021